Basisregels luchtgeweer

Tien basisregels voor de uiterlijke aanslag

1.  Het hoofd rust met zijn eigen gewicht op het wangstuk. Bij afgewende ogen wordt de nek ontspannen. Daarna moet je exact door het midden van de diopter kunnen kijken. Zo niet, dan wangstuk verstellen.

2.  De rechter schouder wordt met het uitademen volledig ontspannen.

3.  Aan pistoolgreep, in de schouder en schouderplaat heerst stevig contact.
De trekkerhand past stevig vast. Kolflengte bepaalde de schouder druk.

4.  Gelijkmatig ademen via de buik verlaagd het zwaartepunt en stabiliseert de houding, waardoor de pendeling aanmerkelijk minder wordt.

5.  Het rechterbeen ondersteund het standbeen en draagt circa een kwart van het totale gewicht. Met het rechterbeen wordt ook het nulpunt gecorrigeerd. Een goede inrichting van de benen draagt bij aan een stabiele houding.

6.  Hand en onderarm staan in één lijn met het standbeen en dragen het geweer zonder kracht. Het inzetten van de linker elleboog is bepalend voor het nulpunt en de balans. Zeer zorgvuldig mee omgaan dus.

7.  Het bovenlichaam hangt schuin naar achteren en de schouders draaien richting de schijf +/- 20 graden. Het naar achteren hangen van het lichaam en het ligt indraaien van de schouder doen het lichaam verstijven.

8.  De heup staat op één lijn met de baan en wordt naar voren geplaatst waardoor de linkerelleboog beter op het heupbot kan worden geplaatst.

9.  70-80% van het lichaamsgewicht wordt gedragen door het standbeen. Samen met de linker hand en onderarm vormen zij de draagzuil van de aanslag, die het geweer zonder kracht draagt.

10. De hakken en de benen zijn gelijkmatig belast waardoor de aanslag zijn balans vindt.